Is er niet nóg een bloedspoor?

Zelfs een ervaren speurneus kan cruciaal bewijsmateriaal over het hoofd zien. Bij het lectoraat de onderzoeker Forensisch Onderzoek van de Hogeschool van Amsterdam wordt onderzocht hoe rechercheurs hun eigen aannamen beter kunnen leren toetsen.

In het forensisch lab van de HvA oefent een student onderzoekstechnieken. Foto: Mats van Soolingen

De moordenaar is al lang vertrokken uit het rijtjeshuis. Althans, 99,999 procent van de moordenaar. Een van zijn grijze haren is achtergebleven, op de trui van het slachtoffer. In de tuin ligt een blikje bier. Leeg, op duizend moleculen opgedroogd speeksel na.

Twee rechercheurs scharrelen door het huis, speurend naar minuscule deeltjes van de dader. In de huiskamer, temidden van omgevallen stoelen en gebroken servies, valt hun blik op een handdoek met rode vlekken. De rechercheurs juichen van binnen. Dit is wat ze zochten. Nu kunnen ze eindelijk hun nieuwe hightech apparaat uitproberen.

Verscholen achter een spiegelwand kijken drie vrouwen nieuwsgierig toe: lector Christianne de Poot en onderzoekers Anna Mapes en Madeleine de Gruijter, allen van de Hogeschool van Amsterdam (HvA). Zij hebben deze plaats delict zo realistisch mogelijk laten opbouwen, inclusief vingerafdrukken, haren en speeksel. De rode vloeistof op de handdoek is geen ketchup, maar echt mensenbloed uit de bloedbank.

Ook de rechercheurs zijn echt. Getest wordt hoe zij omgaan met een nieuwe uitvinding: het mobiele DNA-lab. Tv-series vermelden dit zelden, maar een DNA-analyse kan weken duren. Gevaarlijk lang, zeker als een moordenaar vrij rondloopt.

Het mobiele DNA-apparaat daarentegen vertelt al binnen negentig minuten of aangetroffen DNA overeenkomt met dat van een crimineel uit de DNA-database. Het apparaat brengt echter ook risico’s met zich mee. Zo willen rechercheurs vooral DNA-sporen analyseren waarvan zij vermoeden dat die van de dader afkomstig zijn. Als het apparaat een match oplevert, zijn de rechercheurs al snel overtuigd dat ze de verdachte in beeld hebben, terwijl de aangetroffen sporen evenzogoed van een onschuldig iemand kunnen zijn.

Hier is niets gebeurd

Gaandeweg het experiment beseffen de HvA-onderzoekers dat ze iets bijzonders te zien krijgen. Nooit eerder zijn rechercheurs op deze manier geanalyseerd. Nooit eerder is hun feilbaarheid zo blootgelegd. Zo trappen de meesten in een vooropgezet plan. De badkamer is als enige ruimte niet overhoop gehaald. ‘Hier is niets gebeurd’, concludeert een ervaren rechercheur. ‘Kijk maar, de sokken hangen nog aan het rek.’ Hij loopt verder en mist daardoor het enige bewijsmateriaal – bloed op de wastafelkraan – dat duidt op een tweede dader.

Een tweede dader; bij het gros van de veertig betrokken rechercheurs is het concept niet eens in hun hoofd opgekomen. Daarom zochten ze niet eens naar zijn sporen. Het roept de vraag op: hoe vaak worden misdaden niet opgelost omdat rechercheurs vergeten hun eigen aannamen te toetsen? De Poot beseft welke belangrijke taak haar opleiding heeft.

Drie meter lager, in de kelder van HvA-hoofdkwartier de Leeuwenburg, bevindt zich het forensisch lab. Daar oefenen studenten hoe ze DNA moeten analyseren en vingerafdrukken zichtbaar moeten maken. Op een andere etage bestuderen studenten het brein van criminelen. De rechercheurs van de toekomst, weet De Poot inmiddels, zullen ook de valkuilen van hun eigen brein moeten leren omzeilen.


‘Een algoritme dat de dader aanwijst? Dat geloof ik niet’

Christianne de Poot is lector forensisch onderzoek aan de HvA, senior onderzoeker aan onderzoekscentrum WODC van het ministerie van Justitie en hoogleraar criminalistiek aan de VU. Foto: Mats van Soolingen

Criminelen maken handig gebruik van nieuwe technologie. Ligt ook de toekomst van de recherche op het gebied van hightech en big data? Christianne de Poot heeft haar bedenkingen.

Wie maakt er beter gebruik van technologie: de recherche of criminelen?
‘Criminelen. Vooral grote criminele organisaties zijn veel rijker dan de recherche en kunnen zich dus dure snufjes veroorloven. Bovendien hebben ze lak aan wettelijke kaders.’

Kan mobiele DNA-analyse de balans ombuigen in het voordeel van de recherche?
‘Het is een handig apparaat, maar het is goed om te beseffen dat DNA-analyse niet de heilige graal is waarmee we even alle zaken kunnen oplossen.’

Ook niet als er een DNA-database van alle burgers komt?
‘Nee! Op elke plaats delict bevindt zich vooral DNA van onschuldige mensen, zoals de buurman of de postbode. Daarom ben ik tegen een verplichte DNA-database. Het zou vooral nutteloze matches opleveren.’

Zullen rechercheurs op termijn steeds meer vervangen worden door geavanceerde technologie?
‘Daar ben ik sceptisch over. Dankzij nieuwe technologie zal vooral de hooiberg met feitelijke informatie steeds groter worden. Om daarin de bruikbare spelden te vinden, zal juist meer menselijk inzicht nodig zijn.’

Of meer kunstmatige intelligentie?
‘Ik geloof niet in een algoritme dat alle informatie analyseert en dan de dader aanwijst. Slimme technologie vraagt om slimme rechercheurs.’

Hoe kan uw lectoraat daaraan bijdragen?
‘Door verder onderzoek te doen naar hoe rechercheurs in de praktijk met technologie omgaan. Het liefst zou ik een grote leidraad ontwikkelen, waarin we voor elk apparaat uitzoeken hoe rechercheurs deze het beste kunnen gebruiken en welke valkuilen ze moeten vermijden.’

Deze rubriek is tot stand gekomen in samenwerking met Nationaal Regieorgaan Praktijkgericht Onderzoek SIA

Over de auteur

Sebastiaan van de Water

Sebastiaan van de Water is freelance medewerker van New Scientist.



Plaats een reactie