Astronomen zijn 300 kilometer grote ruimterots kwijt

Het is een zaak waar Spoorloos-presentator Derk Bolt zijn handen aan zou volhebben. Een 300 kilometer grote ruimterots wordt al sinds 1995 vermist.

Als astronomen opsporingsberichten zouden uitbrengen voor verloren ruimterotsen, zou het bericht over 1995 SN55 als volgt luiden: ‘Voor het eerst gezien op 20 september 1995, zwevend tussen de sterren. Een paar weken later voor het laatst gezien. Sindsdien nooit meer teruggevonden.’

Speuren naar een ruimterots. Beeld: NASA.

Hij was simpelweg foetsie. Gebaseerd op hoe die een kleine fractie van zijn baan beschreef, weten we dat de rots waarschijnlijk een pad volgt dat hem binnen de baan van Saturnus brengt, om vervolgens uit te zwenken tot aan Pluto. We weten ook dat één omloop zo’n honderd jaar duurt.

Vanwege zijn helderheid weten we dat de ruimterots behoorlijk groot is – misschien wel 300 kilometer in doorsnee. Daarmee zou 1995 SN55 een van de grootste exemplaren zijn, of misschien wel het grootste, van de Centaur-planetoïden. Dat zijn fascinerende objecten die zich in een instabiele zone in het zonnestelsel bevinden. Daar worden ze heen en weer geslingerd door de monsterachtige zwaartekracht van gasreuzen zoals Jupiter en Saturnus.

Dat is echter zo’n beetje alles wat we weten over dit verloren object. De planetoïde werd op 20 september 1995 voor het eerst gezien door Nichole Danzl en Arianna Gleason op beelden van de Spacewatch-telescoop in het Kitt Peak National Observatory in de VS. Ongeveer een maand later kon het team het object niet langer terugvinden op de opnamebeelden. Sindsdien heeft niemand het meer gezien.

Neptunus

Gelet op de nauwgezetheid van de hedendaagse astronomie is dit wellicht verbazingwekkend. Een van de grootste objecten van zijn soort, en we kunnen het niet vinden? De realiteit is echter dat we voortdurend zonnestelselobjecten kwijtraken.

LEESTIP: In Blik op de sterren vertelt Gary Fildes over zijn opmerkelijke carrièreswitch van bouwvakker tot astronoom. €22,50. Bestel het boek in onze webshop.

Laten we een paar honderd jaar teruggaan in de tijd. In 1612 en 1613 zag Galileo Galilei iets waarvan hij dacht dat het een ster was. Dat was het niet – het was de planeet Neptunus, die officieel pas op 24 september 1846 werd ontdekt, nadat hij meer dan twee eeuwen lang de menselijke aandacht slechts met tussenpozen wist te vangen.

Of denk aan de komeet 41P/Tuttle-Giacobini-Kresak, die elke 5,4 jaar rond de zon draait. Deze komeet werd in 1858 voor het eerst ontdekt, raakte toen kwijt, werd in 1907 teruggevonden, raakte nog een keer kwijt, om in 1951 voorlopig voor het laatst te worden teruggevonden. Vandaar dat de komeet tegenwoordig de namen van maar liefst drie ‘ontdekkers’ draagt.

Virtuele inslagobjecten

Het kwijtraken van ruimteobjecten is nog steeds een wijdverspreid probleem, volgens Spacewatch-teamlid Melissa Brucker van de University of Arizona in de VS. Tegenwoordig betekent ‘kwijt’ dat astronomen een object eerder zullen vinden door willekeurige telescoopbeelden uit te kammen dan door het op te sporen via wat bekend is over zijn hemelbaan.

LEESTIP In het Pocket Science-deel Ruimtetijd vertelt New Scientist-redacteur Yannick Fritschy op toegankelijke wijze hoe Einstein ruimte en tijd bijeenbracht. €10. Bestel het boek in onze webshop.

Momenteel worden bijvoorbeeld honderden objecten vermist in de Kuipergordel – de bevroren vuilnisbelt van het zonnestelsel. Een stuk alarmerender is dat in de buurt van de aarde 135 vermiste planetoïden rondhangen die tot de categorie ‘virtuele inslagobjecten’ behoren. Gebaseerd op wat we van hun banen weten, is er een – extreem kleine – kans dat ze de aarde zullen treffen.

Wat betreft 1995 SN55 kunnen er twee dingen gebeurd zijn, volgens Alex Parker van het Southwest Research Institute in de VS. Mogelijk zorgde ruis op enkele Spacewatch-opnamen voor een misleidend beeld van zijn baanbeweging, waardoor astronomen later op de verkeerde plek zochten.

Een andere mogelijkheid is dat dit enorme kosmische object nooit heeft bestaan. Een kleinere rots kan tijdelijk feller zijn gaan schijnen doordat die ontplofte of uiteenviel. Ook kunnen twee kleine objecten op elkaar zijn gebotst, waardoor ze eventjes helder flitsten en daarna uitdoofden. Als dat zo is, zijn astronomen vervolgens op zoek gegaan naar een spook.

Mis niet langer het laatste wetenschapsnieuws en meld je nu gratis aan voor de nieuwsbrief van New Scientist.

Lees verder:

 

 

Plaats een reactie