Brussel (B) – Vijf winnaars ontvingen op 26 september uit handen van koning Albert II de prestigieuze vijfjaarlijkse prijs van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (FWO) Vlaanderen.

De FWO-prijs, in de wandelgangen ook wel eens de ‘Belgische Nobelprijs’ genoemd, wordt toegekend aan wetenschappers die zich onderscheidden omwille van hun sublieme wetenschappelijke carrière of vanwege een opvallende onderzoeksprestatie. Een internationale jury selecteert de laureaten, die elk drie miljoen Belgische Frank (ongeveer 75.000 Euro) ontvangen. De vijf laureaten voor de periode 1996-2000 werden tijdens de uitreiking op 26 september, in het bijzijn van koning Albert II, geroemd vanwege hun opmerkelijke loopbaan. Vier van de vijf winnaars zijn verbonden aan de Katholieke Universiteit Leuven, de vijfde aan de Vrije Universiteit Brussel. Gent en Antwerpen vielen naast de prijzen. Zoals wel meer gebeurt bij hoge wetenschappelijke erkenningen, bevindt er zich geen enkele vrouw onder de laureaten.

In de humane wetenschappen werd prof dr Marc Waelkens (KUL) bekroond als bezieler van het archeologische Sagalassos-project in de provincie Burdur, Turkije. Waelkens startte er zijn eerste opgravingen in 1985. Het groeide daarna onder zijn impulsen uit tot de grootste hedendaagse archeologische onderneming in het Middellandse Zeegebied. Elk jaar trekt Waelkens er met een interdisciplinair team van bijna tweehonderd specialisten op uit om de Romeinse site verder bloot te leggen. De ongebruikelijke samenvoeging van bijna twintig onderzoeksdisciplines binnen dit ene opgravingproject maakt Sagalassos uniek. Waelkens is niet alleen geïnteresseerd in de architectonisch-archeologische aspecten van de Romeinse site. Hij wil ook weten hoe de inwoners van de stad destijds leefden, wat zij op hun bord kregen, welke culturele festiviteiten ze organiseerden en aan welke ziekten ze leden. Het Sagalassosproject staat internationaal dan ook steeds meer als model voor vernieuwend onderzoek in de klassieke archeologie.

Prof dr Erick De Clercq (KUL) won de prijs in de discipline fundamentele biomedische wetenschappen. Het wetenschappelijke onderzoek van De Clercq heeft zich steeds toegespitst op de ontdekking en ontwikkeling van antivirale geneesmiddelen. Hij baseerde zijn onderzoek op een breed gamma subdisciplines zoals scheikundige synthese, moleculaire design, biologische evaluatie, biochemische analyse, farmacologische en farmakinetische exploratie en klinische toepassing. Binnen de schoot van het Leuvense REGA-onderzoeksinstituut konden elk van deze disciplines zich verder ontwikkelen. De Clercq en zijn team ontdekten bestanddelen die al in belangrijke mate geleid hebben tot een effectieve behandeling van verschillende ernstige virale infecties, onder meer tegen herpes-, varicella-zoster-, Epstein-Barr en HIV-virussen. Zo ontdekte De Clercq en zijn medewerkers als eersten de anti-HIV-activiteit van d4T, een nucleoside-analoog dat de virale DNA-synthese stopzet. Later ontdekte hij de remmende werking van nonnucleoside reverse-transcriptase-inhibitoren en van bicyclamen op de ontwikkeling van HIV. Een aantal van deze stoffen maken deel uit van succesvolle aidstherapieën.

De prijs in de klinische biomedische wetenschappen ging naar prof dr Daniël Pipeleers (VUB). Pipeleers is een pionier in de studie van insulineproducerende beta-cellen die zich in de pancreas (alvleesklier) bevinden. Deze endocriene cellen staan in voor de metabole regeling van het lichaam. Hun vernietiging of disfunctie leidt tot diabetes. Dankzij de beschikbaarheid van diverse types gezuiverde pancreascellen kon Pipeleers en zijn team op een directe manier de mechanismen bestuderen die verantwoordelijk zijn voor de dood van bèta-cellen en meteen de oorsprong van diabetes type I beter begrijpen. Vanuit het basisonderzoek ontwikkelde Pipeleers klinische toepassingen om te trachten diabetes te behandelen door implantatie van bèta-cellen in het lichaam van de suikerzieke patiënt. Vanaf 1990 startte hij een internationaal multicenterprogramma, onder de naam Bèta Cell Transplant, waarbij een centrale eenheid in Brussel bèta-celpreparaten aanmaakt voor transplantatie in diabetespatiënten in diverse centra in Europa en de VS.

In de exacte wetenschappen werd prof dr Arnold De Loof (KUL) laureaat. De 59-jarige De Loof miste bijna zijn carrière als wetenschapper. Na de lagere school ging zijn voorkeur immers uit naar een beroepsopleiding, liefst houtbewerking. Gelukkig staken de dorpspastoor en de hoofdonderwijzer, zo ging dat in die tijd, daar een stokje voor. In zijn latere opleiding raakte De Loof ‘gebeten’ door insecten, hij wijdde er dan ook een groot deel van zijn wetenschappelijke loopbaan aan. In 1980 verlegde hij de klemtoon van het entomologisch onderzoek naar neuropeptiden in een aantal modelinsecten. Hij toonde stap voor stap aan dat het endocrien neuronaal systeem van vertebraten en invertebraten sterke gelijkenissen vertoont. Door de uitgebreide fysiologisch-endocriene knowhow en de integratie van DNA-technologie in het entomologische onderzoek groeide het laboratorium van De Loof uit tot een expertisecentrum voor medisch-farmaceutische onderzoeksgroepen en industrieën. De Loof is echter ook een filosofisch georiënteerd wetenschapper. Vooral door de opkomst van de moleculaire biologie vond hij de vraagstelling van veel biologisch onderzoek zeer reductionistisch worden. Zijn devies luidde: ‘Experimenteer reductionistisch maar denk holistisch’. Hij durfde het dan ook aan om een antwoord te formuleren op de meest fundamentele vraag uit de biologie: wat is leven? Hij beantwoorde met bestaande gegevens en inzichten, maar rangschikte ze op een andere manier, rond communicatie als centraal element, zodat logische verbanden sneller duidelijk werden. Hij schreef hierover een uiterst leesbaar boekje onder de titel ‘Wat is leven? De onstoffelijke dimensie’.

Prof dr ir Paul Van Houtte (KUL) werd geroemd in de sector van de toegepaste wetenschappen. Als ingenieur is Van Houtte geïnteresseerd in het gedrag van materialen tijdens het productieproces en wat er kan gedaan worden om dat gedrag bij te sturen. Van Houtte tracht in zijn onderzoek een brug te slaan tussen de theoretische mechanica en de fysische materiaalkunde. Ondermeer de theorie van de plastische vervorming van metalen zet hij om naar praktische modellen en computersimulaties. Daarnaast is hij ook actief in het domein van de kristalplasticiteit. De maatschappelijke relevantie van zijn onderzoek bestaat erin dat lichtere en toch betere materialen kunnen geproduceerd worden. Dit leidt tot materiaal- en energiebesparing zonder in te boeten op sterkte en veiligheid. Vooral de auto- en vliegtuigindustrie volgt het onderzoek van Van Houtte op de voet.