Geneve (CH) – Met de levering van hun eerste supergeleidende magneet aan CERN plakken Amerikaanse deeltjesfysici een pleister op de wonde die ontstond toen hun Superconducting Super Collider werd afgeblazen.

‘De dood van SSC’ kopte een Tsjechisch wetenschappelijk tijdschrift in oktober 1993. Na tien jaar discussie trok het Amerikaanse parlement de stekker uit de prestigieuze Superconducting Super Collider. Deze supergeleidende versneller van het Brookhaven National Laboratory was de grote concurrent van de Large Hadron Collider van CERN. Om de techniek die zij al hadden ontwikkeld toch toe te kunnen passen, besloten de Amerikanen dan maar mee te werken met het concurrerende project. Hun eerste bijdrage is onlangs bij CERN aangekomen.
De Large Hadron Collider moet deeltje tot ongekende snelheden opzwiepen. Vanaf april 2007 zullen protonen in twee tegengesteld gerichte banen in een ring van 27 kilometer rondrazen met een snelheid die de lichtsnelheid benadert. Botsingen tussen de protonen moeten nieuwe inzichten verschaffen in de samenstelling en het voorkomen van elementaire deeltjes. De wetenschappers van CERN hopen met deze versneller onder andere het eerste Higgsboson te kunnen detecteren.
Om snelle protonen netjes in hun baan te houden, zijn meer dan zesduizend supergeleidende magneten nodig. Twintig hiervan komen van de Amerikanen in Brookhaven. Aan het eerste Amerikaanse exemplaar dat onlangs bij CERN aankwam, werkten meer dan honderd wetenschappers, ingenieurs en technici. De bouw van het 25 ton zware ding kostte hen negen maanden.
&#822Met deze internationale samenwerking is een grote mijlpaal in de geschiedenis van de krachtige deeltjesversnellers bereikt”, zegt Jim Strait, projectleider van de Amerikaanse tak van het versnellerproject. &#822De samenwerking tussen de Amerikanen en de Europese wetenschappers van CERN is voor beide zijden erg voordelig. Ik hoop dan ook dat deze samenwerking in de toekomst navolging vindt. Dat is van groot belang voor de wereldwijde deeltjesfysica.”

Sonja Jacobs