Oer-Afrika blijkt natter dan gedacht

Afrika werd in het verre verleden helemaal niet droger, maar juist natter. Dat legt de theorie aan banden dat droogte de drijfveer was van de migratie van de oermens.

Een geoloog laat aan middelbare scholieren een deel van de boorkern zien. Beeld: I. Castaneda, University of Minnesota.
Een geoloog laat een deel van de boorkern aan middelbare scholieren zien. Beeld: I. Castaneda, University of Minnesota.

Boringen in de bodem van het diepe Malawimeer hebben 1,3 miljoen jaar aan oeroude sedimenten blootgelegd. Deze grondlagen zijn geanalyseerd door een team geologen, waaronder Jaap Sinninghe Damsté en Stefan Schouten van de Universiteit Utrecht. Uit dit onderzoek blijkt dat het klimaat op Afrika niet zomaar is opgedroogd, zoals gedacht. Het is zelfs natter geworden.

‘Onze klimaatreconstructie laat zien dat er op het continent constante cycli van 100.000 jaar ontstaan, gekoppeld aan mondiale ijstijden,’ zegt Sinninghe Damsté. ‘Met elke cyclus verschuift de temperatuur op het wateroppervlak van Malawimeer van gemiddeld 19 naar 23 graden Celsius en weer terug. Hierdoor fluctueert ook de neerslag.’

De aanname dat Afrika droger is geworden, is vooral gebaseerd op data uit Noord-Afrika. Het Malawimeer ligt echter in het oosten. Hier wijst het onderzoek vooral op langere perioden van nattigheid.

Voor paleoantropologen is dit interessant, omdat de oermens zich evolueerde en ontwikkelde in dit gebied. Daarom heeft het onderzoek mogelijk consequenties voor theorieën die stellen dat droogte de menselijke migratie uit dit gebied veroorzaakte. Vanuit Oost-Afrika verspreidde de oermens zich naar de rest van de wereld.

Paleothermometer

De geologen analyseerden de opgeboorde sedimentkernen met een zogenoemde paleothermometer. Hiermee keken ze naar de gefossiliseerde resten van de membranen van bepaalde oerbacteriën. De samenstelling van die membranen verschilt namelijk, afhankelijk van de temperatuur van de omgeving waarin de bacterie zich bevond. Doordat deze membranen in elke bodemlaag te vinden zijn, konden de geologen een temperatuurprofiel van het meer schetsen.

Uit dit temperatuurprofiel konden de onderzoekers niet direct afleiden hoe nat het destijds in Oost-Afrika was. Daarvoor gebruikten zij een andere techniek, waarmee zij indirect fluctuaties in neerslag in kaart konden brengen. De geologen zochten daarvoor naar organische stoffen afkomstig van een waslaagje dat elke plant bedekt. Die stoffen verschillen, afhankelijk van de plantsoort. De onderzoekers konden met deze informatie het type vegetatie – en daaruit de hoeveelheid neerslag – bepalen rond het Malawimeer.

Met deze klimaatreconstructie hoopt Sinninghe Damsté bovendien nieuw licht te werpen op de vraag hoe nauwkeurig onze klimaatmodellen zijn. ‘We zien dat de fluctuaties rond het Malawimeer strak gekoppeld zijn aan de CO2-concentratie in de atmosfeer. Dit bevestigt dat een stijgende CO2-emissie voor problemen kan gaan zorgen. Uit dit onderzoek blijkt dat we ons altijd terdege bewust moeten zijn van dit soort natuurlijke klimaatvariaties. Pas als we deze afzetten tegen menselijke invloeden, kunnen we een betrouwbaar beeld schetsen van de toekomst.’

Altijd op de hoogte blijven van het laatste wetenschapsnieuws? Meld je nu aan voor de New Scientist nieuwsbrief.

Lees verder:

Over de auteur

Ivar Dilweg

Ivar Dilweg is student Life Science & Technology aan de Universiteit Leiden. Hij was er altijd van overtuigd in een laboratorium terecht te komen, maar is nu een nieuwe weg ingeslagen als stagiair bij New Scientist.



Plaats een reactie