• Archimedes (circa 287-212 v.Chr.) kan beschouwd worden als de grondlegger van de wiskundige natuurkunde.
  • Aristoteles (384-322 v.Chr.) was een Grieks filosoof. Hij voerde een systematische methodologie van het denken in en leverde belangrijke bijdragen op het gebied van kosmologie, fysica, metafysica, logica, biologie, zoölogie, politiek, staatsinrichting, ethica, theater, muziek en poëzie.
  • Bardeen, John (1908-1991) kreeg samen met Leon Cooper en Robert Schrieffer in 1972 de Nobelprijs voor natuurkunde voor hun microscopische theorie van de supergeleiding.
  • Bethe, Hans Albrecht (1906-2005) kreeg in 1967 de Nobelprijs voor natuurkunde ‘voor zijn bijdragen aan de theorie van kernreacties, met name zijn ontdekkingen op het gebied van energieproductie in sterren’.
  • Bohr, Niels Henrik David (1885-1962) ontving in 1922 de Nobelprijs voor natuurkunde, ‘voor zijn verdienste bij het onderzoek naar de structuur van atomen en de straling die hierdoor wordt uitgezonden’.
  • Boltzmann, Ludwig (1844-1906) beschreef de snelheidsverdelingen van de verschillende vrijheidsgraden van moleculaire beweging en leidde hieruit een statistische formule af voor de entropie.
  • Bose, Satyendra Nath (1894-1974) schreef een artikel dat aan de basis stond van de ontwikkeling van de eerste kwantumtheorie van een ideaal gas door Albert Einstein.
  • Carter, Brandon (1942) presenteerde in 1973 het ‘antropisch principe’: onze plaats in het universum moet in overeenstemming zijn met omstandigheden die noodzakelijk zijn voor ons bestaan als waarnemers.
  • Casimir, Hendrik Brugt Gerhard (Henk) (1909-2000) werkte na zijn studie bij het Philips NatLab. Hij werd daar snel directeur maar kon zich toch nog bezighouden met fundamenteel onderzoek en ontdekte onder andere het Casimir-effect.
  • Cavendish, Henry (1731-1810) bestudeerde het gewicht van de aarde en vond daarbij een ‘zeer nauwkeurige’ waarde voor de universele gravitatieconstante.

 

  • Chadwick, James (1891-1974) ontdekte in 1932 het bestaan van het neutron en hij kon de massa ervan bepalen. Voor dit werk kreeg hij in 1935 de Nobelprijs.
  • Cooper, Leon (1930) kreeg samen met John Bardeen en Robert Schrieffer in 1972 de Nobelprijs voor natuurkunde voor hun microscopische theorie van de supergeleiding.
  • Copernicus, Nicolaus (1473-1543) publiceerde vlak voor zijn dood zijn heliocentrische theorie van het zonnestelsel. Zijn ideeën betekenden een breuk met het wereldbeeld waarin de aarde centraal stond.
  • Curie, Pierre (1859-1906) kreeg met zijn vrouw Marie Sklodowska-Curie in 1903 de Nobelprijs voor natuur kunde ‘voor hun gezamenlijk onderzoek naar de stralingsverschijnselen ontdekt door professor Becquerel’.
  • Davis, Raymond jr. (1914-2006) bouwde het eerste experiment om neutrino’s afkomstig van de zon te detecteren. In 2002 deelde hij de Nobelprijs voor natuurkunde voor zijn ‘baanbrekende bijdragen aan de astrofysica, in het bijzonder de detectie van kosmische neutrino’s’.
  • Debye, Petrus Josephus Wilhelmus (Peter) (1884-1966) ontving in 1936 de Nobelprijs voor chemie ‘voor zijn bijdragen aan de kennis van de moleculaire structuur door onderzoek naar dipoolmomenten en de diffractie van röntgenstralen en elektronen in gassen’.
  • Descartes, René (1596-1650) was een Franse filosoof die belangrijke bijdragen leverde aan de wiskunde. Zijn publicaties over natuurkunde waren in zijn eigen tijd al omstreden.
  • Dirac, Paul Adrien Maurice (1902-1984) stelde in 1928 de vergelijking op die leidde tot zijn voorspelling van het bestaan van het positron. In 1933 deelde hij de Nobelprijs voor natuurkunde met Erwin Schrödinger ‘voor de ontdekking van nieuwe, productieve vormen van de atoomtheorie’.
  • Drake, Frank (1930) stelde een formule op om het waarschijnlijke aantal bronnen van radiosignalen uitzendende beschavingen in de Melkweg uit te rekenen.
  • Ehrenfest, Paul (1880-1933) zag in dat de statistische grondslagen van de tweede hoofdwet van de thermodynamica uitgebreid konden worden naar de kwantummechanica.

 

  • Einstein, Albert (1879-1955) ontwikkelt ondermeer de speciale (1905) en de algemene relativiteitstheorie (1915) en laat zien dat straling uit van elkaar onafhankelijke energiekwantums bestaat (1905). In 1935 schreef hij samen met Boris Podolsky (1896-1966) en Nathan Rosen (1909-1995) een artikel waarin ze probeerden aan te tonen dat kwantummechanica geen complete fysische theorie is.
  • Einthoven, Willem (1860-1927) was de uitvinder van de snaargalvanometer. Daarmee wist hij elektrocardiogrammmen te maken en te interpreteren. In 1924 kreeg hij voor dit werk de Nobelprijs voor fysiologie of geneeskunde.
  • Faraday, Michael (1791-1867) legde de basis voor de Maxwellvergelijkingen met zijn ontdekking van magnetische inductie.
  • Fermi, Enrico (1901-1954) bedacht hoe het neutrino kon ontstaan bij het verval van een neutron.
  • Feynman, Richard Phillips (1918-1988) deelde in 1965 de Nobelprijs voor natuurkunde met Sin-Itiro Tomonaga (1906-1979) en Julian Schwinger (1918-1994) voor hun werk op het gebied van de kwantumelektrodynamica. Hij was ook beroemd om zijn colleges, die verzameld zijn in The Feynman Lectures on Physics.
  • FitzGerald, George Francis (1851-1901) stelde dat alle bewegende voorwerpen in de lengte krimpen, in de richting van hun beweging. Op deze manier kon hij het experiment van Michelson en Morley verklaren.
  • Foucault, Jean Bernard Léon (1819-1868) kon in 1851 in Parijs met zijn slinger de draaiing van de aarde aantonen.
  • Galilei, Galileo (1564-1642) beschreef wiskundig de versnelde beweging. Hij bestudeerde ook magnetisme en observeerde sterren planeten met telescopen, waarvan hij zelf het ontwerp verbeterde.
  • Galvani, Luigi (1737-1798) doceerde anatomie in Bologna en onderzocht de door hem ontdekte zogenaamde ‘dierlijke elektriciteit’.
  • Geim, Andre (1958) speelde een grote rol bij de ontdekking van een klasse van nieuwe materialen, tweedimensionale kristallen. Hierin werd het relativistische kwantum-Hall-effect gevonden.

 

  • Gell-Mann, Murray (1929) kreeg in 1969 de Nobelprijs voor natuurkunde voor zijn werk aan de indeling van elementaire deeltjes.
  • Goudsmit, Samuel (1902-1978) ontdekte samen met George Uhlenbeck de spin van het elektron.
  • Hall, Edwin H. (1855-1938) ontdekte in 1879 het Hall-effect.
  • Heisenberg, Werner Karl (1901-1976) ontdekte als eerste een correcte theorie van de kwantummechanica en formuleerde de naar hem genoemde onzekerheidsrelaties. Voor zijn werk kreeg hij de Nobelprijs voor natuurkunde van 1932.
  • Helmholtz, Hermann Ludwig Ferdinand von (1821-1894) was een Duitse arts die bekend werd met zijn de wet van behoud van energie.
  • Hertz, Heinrich Rudolf (1857-1894) bestudeerde de eigenschappen van elektrische circuits en ontdekte het stralingskarakter van elektrische trillingen.
  • Hertzsprung, Ejnar (1873-1967) Zijn belangrijkste bijdrage aan de astronomie is het Hertzsprung-Russelldiagram, waarin sterren geclassificeerd worden aan de hand van hun lichtkracht en spectraaltype.
  • Hess, Victor Franz (1883-1974) ontving voor de ontdekking van kosmische straling in 1936 samen met Carl David Anderson de Nobelprijs voor natuurkunde.
  • Hewish, Anthony (1924) kreeg in 1974 een gedeelde Nobelprijs voor natuurkunde voor zijn rol bij de ontdekking van pulsars.
  • Higgs, Peter Ware (1929) bedacht een theorie die verklaart waarom deeltjes massa hebben.

 

  • Hodgkin, Alan Lloyd (1914-1998) kreeg in 1963 samen met Andrew Fielding Huxley de Nobelprijs voor fysiologie of geneeskunde voor hun onderzoek aan de werking van zenuwen.
  • Hooft ,Gerardus ’t (1946) kreeg samen met Martinus Veltman in 1999 de Nobelprijs voor natuurkunde voor hun baanbrekende werk aan de theorie van de zwakke wisselwerking.
  • Hulst, Hendrik Christoffel van de (1918-2000) berekende dat het zeer waarschijnlijk was dat radiostraling van omklappende spins van waterstofatomen in het heelal gedetecteerd kon worden.
  • Huxley, Andrew Fielding (1917) kreeg in 1963 samen met Alan Lloyd Hodgkin de Nobelprijs voor fysiologie of geneeskunde voor hun onderzoek aan de werking van zenuwen.
  • Huygens ,Christiaan (1629-1695) stond aan de wieg van de klassieke mechanica. Hij werd onder andere bekend door zijn golftheorie van licht en door de ontdekking van de maan Titan en de ringen van Saturnus.
  • Jönsson, Claus (1930) liet in het mooiste experiment aller tijden het golfdeeltjeskarakter van elektronen zien.
  • Joule, James Prescott (1818-1889) deed experimenten waardoor hij kon bepalen hoeveel bewegingsenergie overeenkomt met een hoeveelheid warmte: het mechanisch equivalent van warmte.
  • Kamerlingh Onnes, Heike (1853-1926) kreeg in 1913 de Nobelprijs voor natuurkunde voor zijn onderzoek naar de eigenschappen van stoffen bij lage temperaturen en het vloeibaar maken van helium.
  • Kapitza, Pyotr Leonidovich (1894-1984) beschreef als eerste het fenomeen ‘superfluïditeit’ van helium. Hij kreeg in 1978 de Nobelprijs ‘voor zijn fundamentele uitvindingen en ontdekkingen op het gebied van de natuurkunde van lage temperaturen’.
  • Klitzing, Klaus von (1943) ontdekte het heeltallige kwantum-Hall-effect en kreeg voor dit werk in 1985 de Nobelprijs voor natuurkunde.

 

  • Kroto, Harold Walter (1939) kreeg in 1996 met Richard Errett Smalley de Nobelprijs voor chemie voor hun ontdekking van fullerenen.
  • Kruskal, Martin David (1925-2006) ontdekte in 1965 met en Norman J. Zabusky het soliton.
  • Laughlin, Robert (1950) vond de verklaring voor het fractionele kwantum-Hall-effect. In 1998 kreeg hij met Horst Ludwig Störmer en Daniel Chee Tsui hiervoor de Nobelprijs voor natuurkunde.
  • Lederman, Leon (1922) ontdekte met Melvin Schwartz en Jack Steinberger het muonneutrino en zij kregen onder andere daarvoor in 1988 de Nobelprijs.
  • Lee, Tsung-Dao (1926) toonden met Chen-Ning (‘Frank’) Yang aan dat neutrino’s en antineutrino’s geen spiegelsymmetrie kennen. Hiervoor kregen ze in 1957 de Nobelprijs.
  • Leeuwenhoek, Antoni van (1632-1723) was een autodidact die vooral bekend werd door zijn microscopen. Hij waagde zich ook aan verklaringen van de natuur op diverse vakgebieden.
  • Lorentz, Hendrik Antoon (1853-1928) stelde op basis van de Maxwell-vergelijkingen zijn bewegingsvergelijkingen op voor de beweging van deeltjes in een magneetveld. Hiermee kon hij het Zeemaneffect voorspellen en ook de verhouding tussen de lading en de massa van deeltjes bepalen.
  • Lucretius (circa 97-55 v.Chr.) behandelde in een reusachtig gedicht van meer dan zevenduizend verzen de hele wereld, met alles erop en eraan.
  • Maiman, Theodore Harold (1927-2007) construeerde in 1960 de eerste laser.
  • Maxwell, James Clerk (1831-1879) voorspelde het gehele elektromagnetische spectrum van radiogolven tot gammastraling.

 

  • Meer, Simon van der (1925) speelde met Carlo Rubbia een belangrijke rol in het experiment waarmee bij CERN in Genève de W- en Z- deeltjes ontdekt werden. Voor dit werk kregen ze in 1984 de Nobelprijs voor natuurkunde.
  • Meitner, Lise (1878-1968) ontdekte met Otto Hahn in 1918 het element protactinium. Samen met haar neef Otto Frisch vond ze de juiste verklaring voor de met neutronen opgewekte splijting van uranium-235.
  • Michelson, Albert Abraham (1852-1931) kreeg in 1907 de Nobelprijs voor de natuurkunde voor zijn optische precisie-instrumenten en de experimenten die hij daarmee deed. Samen met Morley liet hij zien dat, ondanks de beweging van de aarde, de gemeten lichtsnelheid in alle richtingen even groot is.
  • Morley, Edward Williams (1838-1923) werd beroemd door het experiment dat hij samen met Albert Michelson uitvoerde. Zij lieten zien dat, ondanks de beweging van de aarde, de gemeten lichtsnelheid in alle richtingen even groot is.
  • Musschenbroeck, Petrus van (1692-1761) is de uitvinder van de Leidse fles. Hij was hoogleraar in Duisburg, Utrecht en Leiden en doceerde wiskunde, wijsbegeerte, astronomie en medische wetenschappen.
  • Neumann, John von (1903-1957) schreef een belangrijk boek waarin hij een systeem en een meetsysteem (inclusief de waarnemer) beschouwde als een superpositie van verstrengelde toestanden, die bij een meting een ‘kwantumsprong’ maken naar een niet-verstrengelde eindtoestand.
  • Newton, Isaac (1643-1727, volgens de in Engeland toen nog gebruikelijke Juliaanse kalender is hij geboren in 1642) was hoogleraar wiskunde in het Engelse Cambridge. Zijn driedelige meesterwerk Principia leidde tot een revolutionair nieuw wetenschappelijk wereldbeeld.
  • Ockham, William of (circa 1285-1349). Zijn werk vormde een duidelijke breuk met de gangbare middeleeuwse filosofie. Bekend is zijn ‘scheermes’: gebruik in een theorie niet meer begrippen dan nodig zijn.
  • Oort, Jan Hendrik (1900-1992) zag in de meting van kosmische radiostraling een nieuwe manier om de structuur van de Melkweg te onderzoeken.
  • Pauli, Wolfgang (1900-1958) kreeg in 1945 de Nobelprijs voor natuurkunde ‘voor de formulering van het uitsluitingsprincipe en het invoeren van spincoördinaten van het elektron’. In 1930 kwam hij met het idee van het bestaan van een deeltje dat later ‘neutrino’ genoemd werd.

 

  • Perrin, Jean-Baptiste (1870-1942) beschreef in detail de beweging van microscopische deeltjes. Hij kon aantonen dat de brownse beweging inderdaad veroorzaakt wordt door moleculen in de vloeistof.
  • Planck, Max Karl Ernst Ludwig (1858-1947) kreeg in 1918 de Nobelprijs voor natuurkunde ‘voor zijn verdiensten voor de vooruitgang van de fysica door zijn ontdekking van de energiekwantums’.
  • Rabi, Isidor Isaac (1898-1988) kreeg in 1944 de Nobelprijs voor natuurkunde ‘voor zijn resonantiemethode om de magnetische eigenschappen van atoomkernen vast te leggen’.
  • Reines, Frederick (1918-1998) ontdekte samen met Clyde Lorrain Cowan jr. (1919-1974, onder) in 1956 het neutrino. Hij ontving hiervoor in 1995 de Nobelprijs voor natuurkunde.
  • Reynolds, Osborne (1842-1912) bestudeerde de dynamica van vloeistoffen en vond dat een dimensieloos getal het overgangsgebied aangeeft tussen laminaire (gladde) en turbulente stroming.
  • Rømer, Ole Christensen (1644-1710) was een Deense astronoom die de eerste metingen deed aan de lichtsnelheid.
  • Rubbia, Carlo (1934) speelde met Simon van der Meer een belangrijke rol in het experiment waarmee bij CERN in Genève de W- en Z- deeltjes ontdekt werden. Voor dit werk kregen ze in 1984 de Nobelprijs voor natuurkunde.
  • Rutherford, Ernest (1871-1937) ontwikkelde het model van een atoom dat bestond uit een zeer kleine positief geladen kern, waar elektronen omheen cirkelen. In 1908 kreeg hij de Nobelprijs voor scheikunde voor ‘zijn onderzoek naar het uiteenvallen van elementen en de scheikunde van radioactieve substanties’.
  • Sandage, Allan Rex (1926) liet zien dat met behulp van waarnemingen aan zeer veel sterrenstelsels aangetoond kan worden dat het heelal er in alle richtingen hetzelfde uitziet.
  • Schrieffer, Robert (1931) kreeg samen met Leon Cooper en John Bardeen in 1972 de Nobelprijs voor natuurkunde voor hun microscopische theorie van de supergeleiding.

 

  • Schrödinger, Erwin (1887-1961) kreeg in 1933 samen met Paul Dirac de Nobelprijs ‘voor de ontdekking van nieuwe, productieve vormen van de atoomtheorie’.
  • Schwartz, Melvin (1932) ontdekte met Leon Lederman en Jack Steinberger het muonneutrino en zij kregen onder andere daarvoor in 1988 de Nobelprijs.
  • Scully, Marlan (1939) kon experimenteel bevestigen dat door het wissen van informatie die in het verleden is gegenereerd, de interpretatie van data in het heden kan worden beïnvloed; het delayed choice quantum eraser experiment.
  • Sklodowska-Curie, Marya Salomee (Marie) (1867-1934) kreeg met haar man Pierre Curie in 1903 de Nobelprijs voor natuurkunde ‘voor hun gezamenlijk onderzoek naar de stralingsverschijnselen ontdekt door professor Becquerel’. Marie kreeg in 1911 ook de Nobelprijs voor scheikunde ‘voor de ontdekking van de elementen radium en polonium en voor het isoleren van radium’.
  • Smalley, Richard Errett (1943-2005) kreeg in 1996 met Harold Walter Kroto de Nobelprijs voor chemie voor hun ontdekking van fullerenen.
  • Steinberger, Jack (1921) ontdekte met Leon Lederman en Melvin Schwartz het muonneutrino en zij kregen onder andere daarvoor in 1988 de Nobelprijs.
  • Stern, Otto (1888-1969) ontwikkelde de moleculaire-bundelmethode en ontdekte het magnetisch moment van het proton. Voor dit werk kreeg hij in 1944 de Nobelprijs voor natuurkunde.
  • Störmer, Horst Ludwig (1949) ontdekte met Daniel Chee Tsui het fractionele kwantum-Hall-effect In 1998 kreeg hij samen met Tsui en Robert Laughlin hiervoor de Nobelprijs voor natuurkunde.
  • Thomson, Joseph John (1856-1940) ontving in 1906 de Nobelprijs voor natuurkunde voor de ontdekking van het elektron.
  • Tsui, Daniel Chee (1939) ontdekte met Horst Ludwig Störmer het fractionele kwantum-Hall-effect In 1998 kreeg hij samen met Störmer en Robert Laughlin hiervoor de Nobelprijs voor natuurkunde.

 

  • Uhlenbeck, George (1900-1988) ontdekte samen met Samuel Goudsmit de spin van het elektron.
  • Veltman, Martinus J.G. (1931) kreeg samen met Gerard ’t Hooft in 1999 de Nobelprijs voor natuurkunde voor hun baanbrekende werk aan de theorie van de zwakke wisselwerking.
  • Vinci, Leonardo da (1452-1519) beschreef in duizenden pagina’s zeer scherpzinnige experimenten en hij zocht daarbij naar verklaringen.
  • Waals, Johannes Diderik van der (1837-1923) kreeg in 1910 de Nobelprijs voor de natuurkunde voor de ontwikkeling van de toestandsvergelijking voor gassen en vloeistoffen.
  • Wheeler, John Archibald (1911-2008) onderzocht fundamentele deeltjes- en veldentheorieën en kwam onder andere met het idee van de schuimstructuur van de ruimtetijd.
  • Yang, Chen Ning (‘Frank’) (1922) stelde samen met Robert L. Mills (1927-1999) een formalisme voor de isospin op. Hij toonde met Tsung-Dao Lee aan dat neutrino’s en antineutrino’s geen spiegelsymmetrie kennen. Hiervoor kregen ze in 1957 de Nobelprijs.
  • Zabusky, Norman J. (1929) ontdekte in 1965 met Martin David Kruskal het soliton.
  • Zeeman ,Pieter (1865-1943) onderzocht het effect van magnetische velden op licht. In 1902 deelde hij met Hendrik Lorentz de Nobelprijs voor de ontdekking van het Zeeman-effect.
  • Zeilinger, Anton (1945) heeft als eerste decoherentie experimenteel duidelijk waargenomen.
  • Zernike, Frits (1888-1966) kreeg in 1953 de Nobelprijs voor natuurkunde ‘voor zijn uitvinding van de fasecontrastmethode, speciaal voor zijn uitvinding van fasecontrastmicroscopie’.