De tijd is rijp om te stoppen met een achterhaald ritueel: het verzetten van de klok. Dat vindt althans de Europese Commissie. Zij wil dat elke EU-lidstaat in 2019 een harde keus maakt tussen ofwel eeuwige wintertijd ofwel eeuwige zomertijd. Welke optie is het best?

Waarom is de zomertijd ooit ingevoerd?

Uit nood. In 1916 gaf de Duitse Keizer Wilhelm II als eerste staatshoofd zijn fiat voor Sommerzeit. Dat deed hij niet om Hansel en Heidi wat extra buitenspeeltijd te gunnen, maar om te bezuinigen op de Duitse kolenvoorraad, die door toedoen van de Eerste Wereldoorlog ernstig begon te slinken. Een kort duwtje tegen de kleine wijzer zou op zomeravonden heel wat kolen besparen, was de gedachte. De maatregel gold ook meteen voor België, dat destijds door het Duitse leger was bezet. Het neutrale Nederland volgde binnen een dag het voorbeeld van beide buurlanden.

Na de oorlog werd de zomertijd overal afgeschaft, om in de Tweede Wereldoorlog tijdelijk weer van kracht te zijn in veel Europese landen. De huidige zomertijd geldt in de Benelux sinds 1977, als reactie op de oliecrisis. Zomertijd is dus van oudsher een noodmaatregel in tijden van brandstofschaarste.

Studies hebben inmiddels aangetoond dat van die energiebesparing tegenwoordig weinig terechtkomt. De toenemende populariteit van ultrazuinige ledlampen en niet-zo-
zuinige airconditioning maakt het waarschijnlijk dat lange zomeravonden in de nabije toekomst juist méér energie gaan opslurpen.

Zomertijd heeft toch ook andere voordelen?

Zeker. Wanneer het ’s avonds langer licht blijft, brengen mensen aantoonbaar meer tijd buiten door en sporten ze iets vaker. Goed voor hun algehele gezondheid. Bovendien plegen dieven minder inbraken en botsen auto’s en fietsers minder vaak op elkaar.

Jammer is wel dat schuiven met wijzers een dodelijk ritueel betreft. Zo vindt op de eerste dag van de zomertijd 10 procent meer hartaanvallen plaats, vooral onder kwetsbare groepen zoals kankerpatiënten (24 procent meer). De vermoedelijke reden? Gemiddeld pakken we – dokters en verplegers incluis – op die laatste zondag van maart veertig minuten minder nachtrust. Deze aanslag op onze collectieve frisheid resulteert tevens in meer ongelukken op wegen en in fabrieken. Overigens is er zeven maanden later, als we allemaal een uurtje extra krijgen, juist een daling te zien in het aantal hartaanvallen.

‘Netto zijn de effecten van het klokverzetten redelijk verwaarloosbaar. Het maakt weinig uit voor onze gezondheid’, concludeert Menno Gerkema, hoogleraar chronobiologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. ‘Dus moeten we ons afvragen: waar doen we dan twee keer per jaar al die moeite voor?’

Dat is ook de stelling van EU-voorzitter Jean-Claude Juncker. De Luxemburger is normaliter geen fan van referenda, maar zwaait momenteel enthousiast met een enquête waaruit blijkt dat 80 procent van de Europese bevolking af wil van het klokverschuiven. Wellicht heeft Juncker ook oog voor de bevindingen van de Duitse wetenschapper Till Rönneberg van de Ludwig Maximilians-Universität, die uitrekende dat het gehannes met de klok iedere keer een kostenpost van tientallen miljarden euro’s met zich meebrengt. Hoe dan ook, Junckers plan is duidelijk: als de lidstaten akkoord gaan, moeten we binnenkort een keuze maken tussen zomertijd en wintertijd.

Wintertijd is toch de echte tijd? Moeten we die niet gewoon aanhouden?

Noch de wintertijd, noch de zomertijd is de ‘echte tijd’. Traditioneel geldt dat 12.00 uur overeen komt met het noen, het moment dat de zon op zijn hoogste punt staat. Dat moment verschilt per lengtegraad. In Amsterdam is het bijvoorbeeld vijf minuten eerder noen dan in het meer westelijk gelegen Gent, en zeven minuten later dan in Hengelo. Om deze reden had vroeger elke Europese stad zijn eigen tijd.

Toen de spoorwegen overal hun intrede deden, zijn deze lokale zonsgebonden tijden ingeruild voor nationale standaardtijdzones. De Britten waren in 1847 de eersten (GMT +0:00), terwijl in Nederland enkele decennia later de Amsterdamse Tijd (GMT +0:20) begon te gelden – totdat de Duitse bezetter in 1940 heel West-Europa deelgenoot maakte van de ‘Midden-Europese tijd’ (GMT+1:00).

Vandaag de dag geldt deze arbitrair tot stand gekomen ‘echte’ tijd voor bijna heel Europa. Op zich heel handig. ‘Maar daardoor lopen we zelfs in de winter veertig minuten voor op de zon en is het in West-Spanje even laat als in Oost-Polen. Dat is eigenlijk totaal absurd’, zegt Gerkema.

Zullen we dan maar voor zomertijd gaan?

‘Psychologisch klinkt dat aantrekkelijk’, zegt Gerkema. ‘Iedereen denkt graag terug aan de lange zomeravonden uit zijn jeugd. Maar besef dit: met een permanente zomertijd (GMT+2:00) zal het hier in de winter ’s ochtends soms pas om kwart voor tien licht worden.’

Een dergelijk late zonsopkomst is een wereldwijde zeldzaamheid, voorbehouden aan nederzettingen nabij de poolcirkel. Gerkema: ‘We zouden snel spijt krijgen van die keuze. Het vroege ochtendlicht is ons chronobiologische startschot. Allerlei hersenfuncties, van geheugen tot concentratie-vermogen, komen pas goed op gang met zonlicht. Kiezen we voor permanente zomertijd, dan dreigen we hier dezelfde taferelen te krijgen als in het noorden van Scandinavië en Alaska, met zware winterdepressies en een stelsel van lichtcafés.’

Dus wintertijd is toch de beste optie?

Ook daar kleeft een serieus risico aan. Volgens de eerder genoemde enquête hebben Duitsers een massale voorkeur voor een permanente zomertijd. Hoe handig is het om als Nederland of België een tijdsverschil te creëren met de belangrijkste handelspartner? Hoeveel kosten zal dát wel niet met zich meebrengen? Gaan we in Europa een lappen-
deken aan tijdzones krijgen? Is deze mogelijkheid niet veel nadeliger dan de huidige situatie?

Zeker is dat ook de wetenschap geen ideaal antwoord heeft voor de tijdzone-kwestie. Elke optie betreft een zwak compromis. Maar misschien dwingt dit dilemma ons tot een creatievere benadering, hoopt Gerkema. ‘Het ware probleem is dat we star leven aan de hand van de klok in plaats van de zon. Waarom moeten we het hele jaar door op dezelfde
tijden beginnen met werk of school? Ik gaf zeker in de winter altijd pas college na 10.00 uur, anders onthielden die gapende studenten toch geen bal. Zo kan het dus ook.’