Top 100 is niet representatief voor popgeschiedenis

Wanneer vonden de grote revoluties in de popmuziek plaats? Om die vraag te beantwoorden is meer nodig dan een verzameling willekeurige fragmenten uit de top 100, stelt John Covach.

Foto: Kevin Dooley (creative commons, via Flickr)
Foto: Kevin Dooley (creative commons, via Flickr)

De kracht van big data is geen geheim meer. Maar is het echt in staat om de belangrijkste momenten in de popgeschiedenis te herkennen en op die manier een antwoord te vinden op langlopende discussies onder muziekhistorici?

Die aanname is wel het uitgangspunt geweest van The evolution of popular music: USA 1960-2010, een onderzoek waarin 17.094 singles uit de Amerikaanse top 100 (de ‘US Billboard Hot 100’) werden bestudeerd. De conclusie was dat in 1964, 1983 en 1991 grote revoluties in de popmuziek plaatsvonden. De eerste was de opkomst van de rock, de tweede het opduiken van synthesizers en de derde de opkomst van de hiphop.

Hoewel het onderzoek genoeg fascinerende informatie biedt en het algemene doel ervan goed is, zijn de claims over revoluties in de popmuziek weinig overtuigend. Daar kent de opzet te veel beperkingen en is de interpretatie te problematisch. De auteurs van het onderzoek zijn zich ervan bewust dat verschillende miljoenen singles in die periode in Amerika werden uitgebracht. De beweringen die zij doen over de geschiedenis van de popmuziek gaan echter verder dan wat de gegevens kunnen ondersteunen.

De onderzoekers gebruikten fragmenten van 30 seconden van grofweg 86 procent van de liedjes uit de top 100 en analyseerden die stuk voor stuk op harmonie en klankkleur om in kaart te brengen wanneer nieuwe geluiden voet aan de grond kregen. Onduidelijk is daarbij hoe die fragmenten werden verzameld. Maar aangenomen dat het om aaneengesloten fragmenten gaat, zijn er waarschijnlijk veel essentiële delen van deze liedjes over het hoofd gezien.

Sgt. Pepper’s

Het grootste probleem is echter dat de top 100 gebruikt wordt om bredere claims over de popgeschiedenis te ondersteunen, terwijl pophistorici ook veel factoren in beschouwing nemen die niet samenhangen met de positie van een lied in de lijst. Die lijsten vinden ze verdacht omdat de rol van de muziekindustrie bij de samenstelling niet helemaal helder is.

En als je wel sterk op dergelijke lijsten leunt, dan moet je toch zeker ook de albumlijsten erbij pakken. The Beatles brachten bijvoorbeeld geen enkele single uit van hun iconische album Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band (1967). En in 1975 stond het album Physical Graffiti van Led Zeppelin zes weken boven aan de albumlijst, terwijl de single van dat album – ‘Trampled Under Foot’ – het verder schopte dan nummer 38. Een bredere sample buiten alleen de singlelijst zou daarom onthullen dat 1967 en 1977 (en misschien 1970) andere revolutionaire jaren waren.

De auteurs doen academisch onderzoek naar popgeschiedenis af als ‘anekdotisch’ en ‘niet geschraagd door data’. Maar omdat ze nauwelijks citeren uit dat onderzoek of er op een andere manier op reageren, is het moeilijk te bepalen waar ze precies naar verwijzen.

Ze stellen dat in hun aanpak popgegevens beschouwd worden als een soort fossiele gegevensbank, geschikt voor analyse. Maar ik neem aan dat echte paleontologen geen genoegen nemen met één soort fossielen. Dat geldt ook voor de meeste muziekonderzoekers.

John Covach is directeur van het Institute for Popular Music in Rochester, New York.

In onderstaande video gaat The SciShow dieper in op The evolution of popular music

Lees ook:

Over de auteur

Redactie NS



Plaats een reactie