Hoe komen wetenschappers tot dat ene inzicht dat het verloop van hun carrière bepaalt? Daarover vertellen ze in de rubriek Eureka, elk weekend in het AD, verzorgd door de redactie van New Scientist. Deze week: Rens Bod, hoogleraar Computational and Digital Humanities aan de Universiteit van Amsterdam.

‘Al van jongs af aan wilde ik schrijver worden, maar ik kon geen keuze maken tussen fictie en non-fictie. Ik verslond historische romans zoals Brief aan de Koning van Tonke Dragt, maar vond bètaboeken over sterrenkunde ook razend interessant. Die combinatie vind ik nog steeds heel spannend en past goed bij mijn levensverhaal. Ik hou van bèta-onderzoek vanwege de exacte invalshoek, maar de interpretatieve benadering van de alfa’s is ook geweldig, juist door de menselijke inbreng.

Een van mijn eureka-momenten beleefde ik toen ik een overzicht probeerde te krijgen van de geschiedenis van alle wetenschappen. Ik ging – net als iedereen – er vanuit dat de bèta’s een veel grotere bijdrage hadden geleverd aan de wetenschapsgeschiedenis. Aanvankelijk ging ik te rade bij secundaire literatuur en zo stuitte ik op het werk van Joseph Scaliger, hoogleraar in Leiden eind zestiende eeuw. Hij wilde de hele wereldgeschiedenis vanaf Adam en Eva achterhalen, maar nam daar uiteindelijk afstand van. ‘Waarom?’ dacht ik. Ik wilde er meer van weten.

Rens Bod
Beeld: UvA/Jeroen Oerlemans

Ik las dat hij in 1583 een ‘gevaarlijke’ ontdekking had gedaan. In dat jaar ontdekte hij dat op de zogeheten Egyptische koningslijsten van de oud-Egyptische historicus Manetho koningen waren vermeld die leefden ver vóór de toentertijd geaccepteerde scheppingsdatum van de aarde. Deze scheppingsdatum, circa 4000 voor Christus, was af te leiden uit het Oude Testament. Scaliger schrok als rechtgeaarde Calvinist zo van zijn ontdekking dat hij een denkbeeldige tijd introduceerde (‘tijd voor de tijd’) waarin hij al deze Egyptische koningen plaatste. Hij kon aanvankelijk niet accepteren dat er mensen leefden voor de scheppingsdatum, maar hij kon ook niet accepteren dat zijn historische onderzoek incorrect was.

We weten dat de beroemde Duitse astronoom Johannes Kepler uitgebreid correspondeerde met Scaliger en daaruit bleek dat Kepler diep onder de indruk was van zijn empirische methode. ‘Yes,’ zei ik tegen mijzelf: ‘hier is het bewijs van interactie tussen alfa en bèta, waarbij alfa’s het werk van de bèta’s zelfs beïnvloed hebben.’ Deze wisselwerking bestaat nog steeds, bijvoorbeeld tussen taalkunde en informatica. Grote ontdekkingen vinden plaats vooral daar waar wetenschappen samenwerken.’