‘Ambulances verplaatsen verbetert de dekking’

Bij een ongeluk rukt de dichtstbijzijnde ambulance uit. Als vlak daarna weer een ongeluk gebeurt, kan het gebeuren dat er geen ambulance in de buurt beschikbaar is. Thije van Barneveld heeft een oplossing.

In Amsterdam, Rotterdam en ook op het platteland zijn ambulances relatief vaak te laat, schreven diverse kranten afgelopen oktober. De landelijk afspraak dat in 95 procent van de gevallen een ambulance binnen een kwartier ter plaatse moet zijn, wordt niet altijd gehaald. Dit kan levensbedreigende situaties opleveren.

Thije van Barneveld onderzocht bij het Centrum Wiskunde & Informatica (CWI) en de Vrije Universiteit (VU) Amsterdam of dit voorkomen kan worden door de ambulances vaker te verplaatsen.

Als ambulances geen vaste standplaats hebben, kunnen slachtoffers van ongelukken eerder geholpen worden. Afbeelding: Wikimedia Commons

Welk probleem is er nu met de verdeling van de ambulances?
‘Ambulances zijn op een bepaalde manier verspreid over de regio en op het moment dat ergens een ongeluk gebeurt, wordt daar een ambulance aan toegewezen. Die is dan een tijd bezig. Ze moeten naar de patiënt toe rijden, voor hem of haar zorgen en eventueel naar een ziekenhuis brengen. Het kan zijn dat er gedurende die periode geen ambulance aanwezig is die binnen de gestelde vijftien minuten bij een ongeval kan zijn. De ambulance die voor dat gebied is ingedeeld, is namelijk al bezig.
‘Gebieden waar, bijvoorbeeld ’s nachts, maar één ambulance beschikbaar is, zijn daardoor kwetsbaar. Een tweede ongeluk kan dan voor problemen zorgen. Ook in grotere steden, zoals Amsterdam, waar veel meer behoefte is aan medische noodhulp, vallen soms ‘gaten’ in het dekkingsgebied van ambulances.
‘Ik heb gekeken naar de situatie in Flevoland en hoe het vaker verplaatsen van ambulances daar ervoor kan zorgen dat de hulpdienst in maximaal een kwartier ter plaatse kan zijn. Dit noemen ‘dynamisch herpositioneren’.’

Hoe werkt dat dynamische herpositioneren?
‘We willen door vaker te herpositioneren de gaten in ambulancebezetting kunnen opvangen. De ambulances hebben geen vaste standplaats, maar worden verplaatst als er ergens een gat is. Er kan dan flexibeler gereageerd worden bij ongelukken waardoor patiënten sneller geholpen kunnen worden. Ik heb gewerkt aan een computermodel dat bepaalt wanneer een ambulance beter naar een andere wachtplek kan rijden.
‘Er zijn twee momenten waarop een beslissing genomen wordt over het positioneren van een ambulance. Dit gebeurt als een ambulance naar een ongeluk toe rijdt, waardoor er een gat ontstaat, en wanneer een ambulance vrijkomt bij een ziekenhuis en naar een standplaats wordt gestuurd.
‘Het model bestudeert alle verschillende mogelijkheden en bekijkt wat de gevolgen voor alle mogelijke combinaties van standplaatsen en ambulances zijn als een ambulance naar een bepaalde standplaats wordt gestuurd. Hoe goed de dekking in de regio dan is, hangt af van een aantal factoren. Gekeken wordt of de ambulances op tijd en liefst zo snel mogelijk ter plaatsen kunnen zijn en of er genoeg ambulances aanwezig zijn op plekken waar veel ongelukken gebeuren, zoals waar veel mensen wonen, bijvoorbeeld de binnenstad van Amsterdam. Het model berekent de gunstigste indelingen van de ambulances. Op basis van
die berekeningen wordt bepaald wie naar welke standplaats moet rijden.’

Wat maakt het maken van een indeling voor de ambulances lastig?
‘Dat komt met name door de onzekerheid. Je weet niet waar en wanneer een ongeluk gebeurt, wat precies de rijtijden tussen A en B zijn – er kunnen bijvoorbeeld files zijn – of wanneer een ambulance vrijkomt na het helpen bij een ongeluk. Er zijn dus veel onzekere factoren die een invloed hebben. Dat maakt de berekeningen complex.
‘Omdat het wel heel belangrijk is dat slachtoffers van een ongeluk op tijd geholpen worden, werken er veel mensen aan deze modellen. Onder andere door grote onderzoeksgroepen in Canada, Nieuw-Zeeland en Amerika. Er is dus ook internationaal interesse in de methode waar ik aan heb gewerkt.’

Wordt de methode die u onderzocht inmiddels toegepast?
‘Samen met de GGD in de regio Flevoland, die daar de ambulanceprovider is, hebben we onze methode getest. Dat pakte goed uit. Er is zelfs een bedrijf opgericht dat de software waar het model mee werkt, verder gaat ontwikkelen. Zowel in Nederland als internationaal is er interesse in de ambulancesoftware.’

Kan deze methode ook door andere hulpdiensten worden gebruikt?
‘Jazeker. Bij de brandweer zouden ze het computermodel ook kunnen gebruiken. Ze zijn daar wel wat huiveriger dan bij de ambulance omdat de norm voor de aanrijtijden met vijf tot tien minuten een stuk korter is. Bovendien is het lastiger om een grote brandweerwagen te verplaatsen. Verder biedt de methode mogelijkheden voor toepassingen bij de politie en zelfs de Wegenwacht. Bij die laatste kan het gebruikt worden om mensen met pech zo snel mogelijk weer op weg te helpen.’

Altijd op de hoogte blijven van het laatste wetenschapsnieuws? Meld je nu aan voor de New Scientist nieuwsbrief.

Lees verder:

 

Over de auteur

Dorine Schenk

Dorine Schenk is freelance wetenschapsjournalist voor o.a. NRC en New Scientist. Ze studeerde (astro-)deeltjesfysica aan de Universiteit van Amsterdam. Daarnaast houdt ze van hardlopen. Volg haar op Twitter via @dorineschenk.



1 Reactie

  • fransamsterdam

    | Beantwoorden

    Volgens mij wordt deze methode al zo’n 20 jaar toegepast en zo’n ritje heet dan niet ‘prio 1’ of ‘prio 2’ maar ‘voorwaardenscheppend’.

Plaats een reactie